Tien eeuwen Russisch-orthodoxe kerk en kunst

Rusland werd officieel gekerstend in het jaar 988. Sindsdien heeft de Russisch-orthodoxe kerk een belangrijke rol gespeeld in het leven van de Russen. De kerk heeft altijd tot de verbeelding gesproken, niet in de laatste plaats om het goud en de schittering.

Het ontstaan

De Russisch-orthodoxe kerk is voortgekomen uit de oosters-orthodoxe of Byzantijnse Kerk. Die had zich op haar beurt afgescheiden van de Rooms-katholieke Kerk, officieel met het Grote Schisma van 1054, maar feitelijk al veel eerder.

De christelijke kerk had vanaf het ontstaan haar centrum in Rome, zetel van de paus en hoofdstad van het Romeinse Rijk. Maar dat veranderde vanaf de vierde eeuw. In het jaar 330 verplaatste de Romeinse keizer Constantijn zijn residentie naar het wat centraler gelegen Byzantium en herdoopte de stad Constantinopel. In 395 werd het Romeinse Rijk opgedeeld in een oosters en een westers deel, elk met een eigen keizer, waarvan het oosterse deel, het Byzantijnse Rijk, tot grote bloei kwam. Constantinopel beschouwde zichzelf als het nieuwe Rome en zijn patriarch als het hoofd van de christelijke Kerk. Dat werd door Rome niet erkend. Doordat de Byzantijnse Kerk het Latijn als kerktaal verving door het Grieks, groeiden de twee kerken nog verder uit elkaar. Tot de definitieve breuk van 1054. De oosters-orthodoxe kerk beschouwde zichzelf als dé kerk. Het woord orthodox betekent recht-gelovig, of de juiste leer.

De kerstening van Rusland

Door handelscontacten met Byzantium — via de Zwarte Zee — kwam het vorstendom Kiev als eerste in aanraking met het christendom. De grootvorstin Kiev Olga (ca. 890 — 969) ontwikkelde er grote sympathie voor, en liet zich dopen in Constantinopel. Haar zoons (en opvolgers) volgden haar voorbeeld niet, maar haar kleinzoon Vladimir verhief het christendom tot staatsgodsdienst.

Hij was bleef in het begin van zijn regering heiden, totdat hij het plan opvatte te trouwen met Anna, de zuster van de Byzantijnse keizer Basilius II. Een keuze uit politieke overwegingen: de Duitse keizer Otto II was getrouwd met een Byzantijnse prinses, waardoor de banden tussen het Duitse en het Byzantijnse rijk verstevigd waren. Vladimir zag voor hemzelf ook zulke voordelen in het verschiet. Basilius eiste echter dat Vladimir zich zou bekeren tot het christelijke geloof, alvorens zijn zuster weg te geven.

Volgens de beroemde Kievse Nestorkroniek ('Kroniek van de voorbije jaren') uit omstreeks 1111, maakte Vladimir een weloverwogen keuze. Zo wordt beschreven hoe Vladimir gezanten naar verschillende landen stuurde om daar de religie te bestuderen. In het Rooms-katholieke Duitsland troffen ze geen schoonheid aan. Bij de islamitische Wolga-Bulgaren werd alles als vreugdeloos bestempeld. In de kerk van Constantinopel echter worden de gezanten getroffen door de pracht en praal en het schitterende gezang; het scheen ze toe dat ze in de hemel op aarde waren beland. Dat de keizer goddelijke macht werd toegedicht, was natuurlijk voor de vorst van Kiev een aantrekkelijke bonus. Vladimir liet zich dopen in 988 en beval alle inwoners van zijn rijk hetzelfde te doen. Onder christelijke vlag wist hij in korte tijd alle andere Russische vorstendommen te onderwerpen.

Kerken en kloosters

Vladimir zette zijn bekering meteen kracht bij. Hij liet Byzantijnse architecten en kunstenaars overkomen om kerken te bouwen en te voorzien van fresco's, mozaïeken en iconen. De gebouwen en decoraties waren dan ook volledig geënt op Byzantijnse voorbeelden. De afhankelijkheid van Constantinopel gold overigens voor de gehele Russische Kerk. Het was daar dat de hoogste kerkelijke autoriteit van Rusland, de metropoliet, werd benoemd. Dat zou zo blijven tot aan de ondergang van het Byzantijnse Rijk in 1453.

De eerste kerk in Kiev was de Tienden Kerk, zo genoemd omdat Vladimir één-tiende deel van zijn inkomsten aan deze kerk schonk. Deze kerk was gebouwd als een Byzantijnse kruiskoepelkerk, met één grote centrale koepel (symbool van Jezus) en vier kleinere koepels op de armen van het kruis (symbool van de vier Kerkvaders). In de koepel kwam een beeld van Christus Pantocrator ('Heerser over alles') en in de apsis een voorstelling van de Moeder Gods. Deze en andere kerken uit de eerste periode vormden het prototype voor verreweg de meeste kerken die hierna in Rusland gebouwd zouden worden. Diverse negentiende- en twintigste-eeuwse maquettes van kerken in de tentoonstelling laten dat zien. Ook de decoraties werden eindeloos gekopieerd.

Icoon van Christus Pantocrator uit een deësis-reeks van een iconostase, Noord-Rusland, eind 13de — begin 14de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); levkas (witsel), tempera; 65 х 42 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Icoon van de Heiland op de troon uit een deësis-reeks, Noord-Rusland, Novgorod, 16de eeuw, Tempera op hout, 87,5 х 63,5 х 3 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Russische kunstenaars en schrijvers leerden het vak van Byzantijnse collega's en gingen vervolgens zelf aan de slag. Ze introduceren in Rusland het Kerkslavisch in boeken en in opschriften op iconen en muurschilderingen. Deze taal was ontwikkeld in de negende eeuw door de Byzantijnse monniken Cyrillus en Methodius voor zending onder de Slavische volken. Het Kerkslavisch maakte het christelijke geloof toegankelijker voor de Russen en droeg zeker bij aan de verspreiding ervan. In kloosters, die al snel gesticht werden, werden manuscripten gekopieerd; deze bevorderden op hun beurt de geletterdheid van de bevolking. Het kloosterleven kwam in Rusland tot grote bloei, mede doordat Russen werden aangesproken door de ascetische levenshouding die er deel van uitmaakte.

De eerste Russische heiligen

De Russische Kerk vereerde natuurlijk de al bestaande christelijke heiligen. Op de eerste plaats stond vanaf het begin de Moeder Gods. Daarna was de meest vereerde heilige de H. Nicolaas de Wonderdoener, de vierde-eeuwse bisschop van Myra, dezelfde als de westerse Sint Nicolaas. Hij gold als verlosser van rampspoed en onheil; en samen met de Moeder Gods was hij beschermheilige van Rusland.

Icoon van de Moeder Gods van de Don, Wolgagebied, eind 16de — begin 17de eeuw, Hout, met dubbele verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), tempera; 32 х 26 х 2,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Icoon van de H. Nicolaas, Oude Rusland, Novgorod, eind 13de — 14de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), levkas (witsel), tempera; 107,5 х 79,3 х 3 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

De eerste echt Russische heiligen waren de prinsen Boris en Gleb, zonen van Vladimir en een Bulgaarse prinses (voor zijn huwelijk met de Byzantijnse prinses Anna had hij zeven vrouwen en talloze concubines gehad). Toen Vladimir stierf, werd zijn rijk volgens traditie verdeeld over zijn zoons, twaalf in aantal. Er ontstond een onderlinge machtstrijd, die uiteindelijk leidde tot de moord op Boris en Gleb. Zij stelden zich lijdzaam op, vochten niet terug. Ze werden door de Kerk beschouwd als de eerste Russische martelaren en vrijwel meteen heilig verklaard — de eersten van een hele reeks Russische martelaren die zouden volgen. Er werd een canon opgesteld, waarin hun vita (levensbeschrijving) en de precieze weergave van hun icoon werden vastgelegd. Vladimir, die het land gekerstend had, werd pas in de dertiende eeuw heilig verklaard, maar toen nam zijn verering wel grote vormen aan: hij kreeg de eretitel 'Apostelgelijke'. Er zouden in de loop der eeuwen nog veel Russische heiligen bij komen. Moniken die kloosters hadden gesticht, zoals Sergius van Radonezj , soldaten die hun leven hadden gegeven voor Rusland en het christendom en daarbij extreme martelingen hadden ondergaan, zoals Theodorus Tyron en Theodorus Stratilates.

Icoon van de H. Theodorus Stratilates en de H. Theodorus Tyron, Oude Rusland, Novgorod, 15de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), levkas (witsel), tempera, verguld; 53,5 х 38 х 2,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Icoon van de Verschijning van de Moeder Gods aan de H. Sergius van Radonezj, Rusland, 18de eeuw, Tempera op hout, 37 х 30,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Icoon van de Verschijning van de Moeder Gods aan de H. Sergius van Radonezj, Rusland, Sergijev-Posad, Klooster van de Drie-eenheid en Sergius, 1621 — 1622, Hout, met dubbel verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), levkas (witsel), tempera, zilververguld; 30 х 25,3 х 2,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Hoogfeesten

De Russisch-orthodoxe kerk heeft in de loop der eeuwen een eigen systeem van riten, sacramenten en symboliek ontwikkeld. Naast de Byzantijnse tradities werden geleidelijk ook veel lokale — heidense — gewoonten opgenomen. Veel religieuze feesten hebben ook heidense wortels.

Volgens de orthodoxe leer is het leven verbonden met de kerkelijke chronologie, vanaf de doop tot aan de dood. Zowel het persoonlijk leven van de christen als het liturgische jaar volgt het stramien van de kerkelijke kalender. Hoogtepunten in het kerkelijke jaar zijn de hoogfeesten, twaalf in totaal naar analogie van de twaalf apostelen. De hoogfeesten hebben allemaal te maken met de belangrijkste momenten uit de levens van Jezus Christus en de Moeder Gods.

Eén hoogfeest heeft een nóg hogere status dan de twaalf: de 'Lichtende opstanding van Christus', Pasen. Op deze dag werd de aarde opnieuw geschapen en de mens verlost. Voorafgaand zijn er zeven weken Grote Vasten. Op de vrijdag voor Pasen, Goede Vrijdag, wordt het lijden van de Verlosser herdacht, de dag erop, Stille Zaterdag, Zijn dood. Vaste gewoonte is om elkaar met Pasen een gedecoreerd ei te schenken, wat is gebaseerd op een apocrief verhaal. Maria Magdalena kwam bij keizer Tiberius en vertelde dat Christus was opgestaan. Tiberius antwoordde: zoals een wit ei niet rood kan worden,kan een gestorven mens niet verrijzen. Daarop reikte Maria Magdalena hem een op miraculeuze wijze rood geworden ei aan.

Vaas, houder voor paaseieren, Rusland, St.-Petersburg, Keizerlijke Porseleinfabriek, midden 19de eeuw, Porselein; goudbeschildering boven glazuur, fluweel; 22,5 х 36,5 х 36,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

De paasdienst wordt gekenmerkt door een bijzondere plechtstatigheid. De geestelijken dragen hun speciale paasgewaden vol gouden stiksels. Alle iconenlampjes worden aangestoken, evenals de rode paaskaarsen. In Rusland wacht men aan de vooravond van de feestelijke dienst op de 'Nederdaling van de Vlam van Genade uit het Graf des Heren in Jeruzalem'. Met deze vlam worden de kaarsen in de kerk aangestoken; na afloop van de dienst nemen de kerkgangers de vlam in een iconenlampje mee naar huis, om hem het hele jaar brandend te houden.

Fragment van Koningsdeuren: H. Johannes Chrysostomos, Noord-Rusland, Novgorod, 16de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), levkas (witsel), tempera, verguld; 103,5 х 35,7 х 3 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

De iconostase

Een typisch Russisch element in de kerk is de iconostase. Deze werd ontwikkeld in de dertiende-veertiende eeuw in Novgorod, nu zo'n 300 kilometer zuidoostelijk van St.-Petersburg. De iconostase werd al snel canoniek, officieel. Het is een iconenwand, die in de kerk het altaar scheidt van het schip, en daarmee van de kerkgangers. De altaarruimte geldt als het allerheiligste, door niemand te betreden behalve de priester. In de Byzantijnse kerk had het koorhek die functie. Door er een dichte wand van iconen van te maken, werd voorkomen dat de kerkgangers zelfs maar konden kijken naar het altaar. In de iconostase, volgens een vast theologisch programma van iconen voorzien, zaten deuren. De twee deuren in het midden — de Koningsdeuren — werden geopend tijdens de liturgie. Zo kon de gelovige een blik werpen op de 'eeuwigheid'. Op de deuren stonden vaak de vier evangelisten afgebeeld, als overbrengers van de boodschap van de Verlosser. In de tentoonstelling is een iconostase gereconstrueerd. Bovendien is een zeer bijzonder voorbeeld te zien, namelijk de reisiconostase die tsaar Alexander I meenam op zijn veldtochten. Zo had hij hem bij zich toen hij in 1814 triomfantelijk Parijs binnenreed.

Iconostase van de reiskerk van tsaar Alexander I, Rusland, St.-Petersburg, Vasili Sjeboejev, 1800 — 1825, Schilderwerk op linnen, vastgelijmd op een houten lijst, 310 х 496 х 20 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Iconen

Een van de belangrijkste kenmerken van de orthodoxie is de verering van iconen. Centraal staan de iconen van Jezus Christus en van de Moeder Gods. Verder heeft ieder hoogfeest zijn eigen icoon, zonder welke de viering niet compleet is. Iconen zijn de zichtbare uitdrukking van het Evangelie, meer dus dan een afbeelding of illustratie: een 'heilig onderdeel van de goddelijke substantie', zoals werd vastgelegd op meerdere kerkelijke concilies. Iconen worden wel vensters op de eeuwigheid genoemd, omdat zij als het ware een gedeelte van de hemel, van Gods Koninkrijk laten zien. Een icoon brengt je in rechtstreeks contact met de (het) afgebeelde.

De oudst bekende iconen op houten panelen dateren uit de zesde eeuw. Ze zijn afkomstig van het Sint-Catharinaklooster in de Sinaï (Egypte). In iconen is onmiskenbaar invloed van de laatklassieke schilderkunst te herkennen, maar ook die van de Fayoum-portretten, mummieportretten uit Grieks-Romeins Egypte (1ste eeuw v.Chr. — 4de eeuw n.Chr.). Het gelaat van de overledene werd hierbij op een paneel geschilderd en dit portret werd op de mummie gelegd. Aan het paneel werden levenskrachten toegeschreven, en het maakte communicatie met de overledene mogelijk.

In de achtste en negende eeuw heerste een langdurige strijd over iconen. De weerstand ertegen, iconoclasme genoemd, ging uit van de veronderstelling dat ze afgodsbeelden waren. Er werden in deze periode veel oude iconen vernield. Met de 'victorie van de heilige beelden' in 843 — met als winnende argument: de verering geldt niet het beeld maar de afgebeelde — kwam een eind aan het iconoclasme. Daarop vond er een enorme, snelle verspreiding plaats van iconen. Niet alleen in kerken, maar ook in woonhuizen werd een ereplaats voor iconen ingericht. Op stadspoorten werden beschermende iconen aangebracht, tijdens veldslagen werden ze meegedragen als banieren, reizigers droegen speciale opvouwbare iconen met zich mee. De icoon werd als onmisbaar beschouwd bij het gebed, en dus bij het leven.

In Rusland had de icoon een nog belangrijkere rol dan in andere orthodoxe landen. Een van de oorzaken is dat in Rusland veel kerken van hout gebouwd werden; en op hout waren geen fresco's aan te brengen. Maar zeker ook dat in de Russische orthodoxie aan de contemplatie voor de icoon een groter, meer wezenlijk belang werd gehecht.

Het schilderen van een icoon

Schilderen van deze 'heilige beelden' is geen sinecure. De keuze van het paneel, het bevestigen van dwarslatten en de voorbewerking van het hout — alles is gebonden aan vaste voorschriften. Op het paneel wordt met warme lijm een doek geplakt. Daarin zit ook een theologische verwijzing: aan de gebeurtenis die de eerste icoon bracht, het 'Niet-door-mensenhanden-geschilderde Gelaat', dat Jezus zelf, op linnen gedrukt, overhandigde aan de bodes van koning Abgar, opdat deze zou genezen van melaatsheid. Elke icoon vindt zijn oorsprong in dat beeld. Ook is een van de drie typen Christus-icoon de Jezus Mandylion, oftewel de niet door mensenhanden geschilderde Verlosser.

Icoon van het gelaat van de Heiland, Rusland, Moskou, eind 16de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), levkas (witsel), tempera, zilververguld; 31 х 25 х 2,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Het schilderen gaat gepaard met gebed en meditatie, nodig de Verlossing te kunnen verbeelden. Er wordt alleen met natuurlijke pigmenten gewerkt, die gemengd worden met tempera. Na het schilderen brengt de kunstenaar de naam van het afgebeelde personage of feest aan. Het opschrift bezegelt als het ware het beeld: wat de beschouwer ziet, is ook werkelijk aanwezig. De schildering is echter pas een icoon na kerkelijke inzegening.

Iconen zijn tot de zeventiende eeuw niet gesigneerd. De schilder komt ook weinig eer toe, hij heeft slechts zijn handen geleend aan God, zodat Deze zich kon manifesteren. Bij icoonschilderen ging het niet om de individuele expressie van de kunstenaar, maar om 'de waarheid van God'. En die heeft maar één gezicht.

Kunsthistorische ontwikkeling van de Russische icoon

Ondanks de vaste regels zijn er toch stilistische ontwikkelingen in de icoonschilderkunst waar te nemen. Elke regio, elke tijd drukte een eigen stempel op de iconen.

Het oude Rusland

De vroegchristelijke Russische iconen zijn volledig Byzantijns. Behalve dat er veel Byzantijnse en Griekse iconenschilders waren, voor het onderricht aan de Russische kunstenaars, werden er ook veel Byzantijnse iconen geïmporteerd en schier eindeloos gekopieerd. Uit deze periode zijn zeer weinig iconen bewaard gebleven. In 1237 vielen de Mongolen — in Rusland Tataren genoemd — grote delen van Rusland binnen en vernietigden de meeste centra van macht én cultuur.

Het noorden ontsnapte aan deze vernielingen. Novgorod werd het centrum, waar de kunst zich verder ontwikkelde, waarbij allerlei elementen uit de lokale volkskunst binnensijpelden. De composities werden platter, met grote kleurvlakken, de kleuren werden helderder, gelaatstrekken individueler, aardser.

Een ander belangrijk centrum werd Pskov, de noordwestelijke voorpost van Rusland, die uitgroeide tot een van de belangrijkste steden in middeleeuws Europa. Ook hier kwam een eigen schilderstijl op. De iconen die hiervandaan komen onderscheiden zich door originele variaties op de traditionele iconografie.

De Moskouse periode

In 1325 verplaatste metropoliet — de hoogste autoriteit in de Russische Kerk — Petrus zijn zetel van het verwoeste en bedreigde Kiev naar Moskovië, onder bescherming van de Moskouse vorst. Veel icoonschilders verhuisden mee, en Moskou werd langzaam maar zeker het belangrijkste iconencentrum. Andrej Roebljov (ca. 1360 — 1428/30) was een van de kunstenaars in Moskovië. Hij wordt beschouwd als de grootste Russische iconenschilder uit de geschiedenis. Hij werkte onder andere in het Moskouse Kremlin.

In de vijftiende eeuw wist Moskovië alle Russische staten te onderwerpen en verwierf het ook internationaal erkenning. Toen in 1453 Constantinopel werd ingenomen door de Ottomaanse Turken, werd Moskou bovendien het religieuze hart van de orthodoxe wereld. Er ontstond een theorie die in het Russische Rijk de enige en directe opvolger zag als verdediger van het orthodoxe geloof, en Moskou als 'het derde Rome'. Overal in de stad werden kerken gebouwd om de nieuwe status kracht bij te zetten. De belangrijkste schilder in deze periode was Dionysius (1440/50 — na 1504), die nauwe banden met het hof en de hoogste geestelijkheid onderhield. Hij werkte in de traditie van Roebljov, maar zijn werken zijn verhevener, spiritueler. Zijn langgerekte figuren zijn gracieus en hebben aristocratische trekken. Bewegingen zijn vloeiend, de kleuren kennen weinig contrasten. Zijn stijl paste bij een internationaal hof.

Icoon van de aartsengel Michaël uit een deësis-reeks, Noord-Rusland, Novgorod, 16de eeuw, Tempera op hout, 88,5 х 37 х 3,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Nu Moskou en dus Rusland het centrum van orthodoxe verering was geworden, groeide de belangstelling voor de eigen, Russische heiligen. De kerkelijk leider ten tijde van tsaar Ivan IV de Verschrikkelijke (1534 — 1584), Macarius, riep twee concilies bijeen, waarop verschillende Russische heiligen werden gecanoniseerd, 34 in totaal. Het ging voornamelijk om belangrijke kloosterlingen. Onder hen waren de heilige monniken Zosimas en Sabbatius, die in 1429 op de Solovetski-eilanden in de Witte Zee — in het verre noorden — een klooster stichtten dat zou uitgroeien tot een van de steunpilaren van het Russische monnikendom. Zij kregen ook hun eigen icoon.

Icoon van de HH. Wonderdoeners Zosimas en Sabbatius van het de Solovetski Eilanden en hun vita (heiligenleven), Noord-Rusland, eind 17de — begin 18de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); pavoloka (linnen doek), levkas (witsel), tempera; 89,6 х 70,7 х 3,4 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Eind zestiende eeuw ontstond er een richting in de schilderkunst die de Stroganov-school genoemd werd, naar het beroemde Stroganov-geslacht dat veel iconen bestelde bij de schilders van het tsarenhof en daarbij duidelijke stilistische voorkeuren toonde. De iconen zijn meestal klein en geschilderd met uiterste precisie. Vaak zijn ze ze versierd met kostbare zilveren en gouden bekledingen en met edelstenen. Iconen uit deze school werden ook door het hof en de hoge adel besteld voor dagelijks gebruik in huis. Vooral in de negentiende eeuw werden veel iconen geschilderd die invloed van de school verraden.

De Romanov-periode

Het begin van de zeventiende eeuw was een periode van grote onrust, de Tijd der Troebelen. Er ontstonden onder meer kerkelijke twisten rond hervormingen die patriarch Nikon wilde doorvoeren, uitmondend in een schisma. Degenen die zich verzetten tegen de hervormingen, de zogenoemde oudgelovigen, zagen die als een aantasting van de fundamenten van het geloof. Nog steeds bestaan zij als een aparte beweging binnen de Russisch-orthodoxe Kerk.

Ondertussen sijpelden steeds meer westerse invloeden de Russische icoonschilderkunst binnen. De (handels)contacten met het westen namen sterk toe in deze periode en diverse buitenlandse kunstenaars ambachtslieden werkten in Moskou. Tsaar Aleksej Michajlovitsj (reg. 1645 — 1676) zette zelfs de deur wijd voor hen open. De icoonateliers waren gevestigd in de Wapenkamers van het Kremlin. Hier werkten de beste icoonschilders, onder invloed van het opkomende realisme. Naar buitenlands voorbeeld probeerden zij het goddelijke zo 'reëel', concreet mogelijk weer te geven. De iconen kregen diepte, de figuren volume. De nieuwe koopmansklasse die ook in Rusland groeide in deze periode, werd er zeer door aangesproken. Er kwam aandacht voor de architectonische en landschappelijke achtergrond. De Kerk hield desondanks nog steeds streng toezicht op de iconografie, hield de schilders aan de canons van de orthodoxie.

Onder Peter de Grote (reg. 1682 — 1725) versterkte de westerse invloed zich zeer. De icoonschilderkunst verloor langzamerhand haar oorspronkelijkheid. De canons van de iconografie werden losgalaten, en er werd zelfs met olieverf geschilderd. Ook de wereldse schilderkunst, die voorheen nauwelijks bestond in Rusland, kwam op en kreeg enige greep op de icoonschilderkunst. Renaissance, barok en classicisme deden hun intrede.

Icoon van de Synaxis (congregatie) van de Allerheiligste Moeder Gods, Rusland, St.-Petersburg, Michail Foentoesov, 1755, Tempera op hout, 49,5 х 21 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Icoon van de H. Andreas de Eerstgeroepene, Rusland, midden 18de eeuw, Tempera op hout, 34 х 24 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Francesco Fontebasso (1709 — 1769), Het Laatste Avondmaal, 1762, Olieverf op doek, 132 х 193 cm (ovaal)
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Eén groep bleef echter trouw aan de traditie: de oudgelovigen, die niet alleen geëxcommuniceerd waren, maar veelal ook naar de dorpen in de marge van het Russische rijk verdreven waren. Zij waren de belangrijkste opdrachtgevers voor traditioneel geschilderde iconen.

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw delfde de icoonschilderkunst steeds meer het onderspit tegen de machinale kleurendruk. Veel schilders raakten brodeloos. Er was nog een klein groepje schilders, die in een zeer verfijnde techniek iconen bleven schilderen. Hun stijl doet sterk denken aan de Stroganov-stijl. De genadeklap kreeg de icoonschilderkunst van de bolsjewieken. Zij sloten en vernietigden kerken, roeiden de geestelijkheid uit, namen kerkelijke eigendommen in beslag en verkochten de antieke kerkelijke voorwerpen. Na de val van de Sovjet-Unie in 1991 bleek de orthodoxe kerk echter niet geheel verdwenen. Integendeel: snel leefde de belangstelling voor kerk en kunst weer op. Er worden weer iconen geschilderd, de kerkelijke kunst is weer een specialisme van kunstenaars geworden.

Icoon van de H. Maximus de Griek, Rusland, Mstjora, 19de eeuw, Hout, met verdieping (kuipje); tempera; 31,5 х 26,5 х 2,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Openingstijden

Dagelijks 10–17 uur
Gesloten 25 december 2014 en 27 april 2015

© State Hermitage Museum, St Petersburg

De Hermitage Amsterdam is gevestigd op de Amstel 51.

Contact

Voor informatie over de tentoonstellingen, de programmering, de online ticketshop, het gebouw en reserveringen van rolstoelen, groepsbezoeken en CKV-programma’s:
+31 (0)20 530 87 55

Voor alle overige vragen en voor het kantoor: +31 (0)20 530 87 55

Voor reserveringen van rondleidingen en zalen:
0900 HERMITAGE (0900-437648243) lokaal tarief

Voor het reserveren van audiotours (mogelijk vanaf 15 audiotours) kunt u contact opnemen met reservations@guideid.com

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.