Hoogtepunten uit de tentoonstelling

Henri Matisse, De jeu-de-boulesspelers, 1908

Henri Matisse, De jeu-de-boulesspelers, 1908 © Succession H. Matisse c/o Pictoright Amsterdam 2010

Het oeuvre van Matisse telt verschillende reeksen met dezelfde onderwerpen en motieven. Zo schilderde hij rond 1908 een cyclus met als thema ‘de Gouden Eeuw’, grote doeken met primitief geschilderde naaktfiguren die dansen, musiceren en spelen in een abstract landschap van groen en blauw. Deze jeu-de-boulespelers zouden symbolisch zijn voor de oermens en voor ‘het spel des levens’. Het doek, met intuïtief gekozen kleuren, toont boven alles de zoektocht naar decoratieve mogelijkheden. Het kostte Matisse moeite om eenheid in de compositie te bereiken. Sjtsjoekin moest daardoor lang op het schilderij wachten, maar was opgetogen over de ‘frisheid en noblesse’ ervan.

Henri Matisse, De rode kamer (Harmonie in rood), 1908

Henri Matisse, De rode kamer (Harmonie in rood), 1908 © Succession H. Matisse c/o Pictoright Amsterdam 2010

Matisse werkte lang aan zijn schilderijen. De rode kamer onderging tijdens het werkproces echter een wel heel rigoureuze wijziging. Matisse zette het doek aanvankelijk op in blauw, de kleur die het best paste bij de eetkamer van Sjtsjoekin waar het voor was bestemd. Zonder overleg overschilderde hij het kort voor expositie met rood, omdat hij ‘het niet decoratief genoeg’ vond. Aan de randen is nog blauwe verf zichtbaar. Nooit eerder voerde rood zo nadrukkelijk de boventoon in een kunstwerk. Matisse zette hiermee een belangrijke stap in de verkenning van de decoratieve mogelijkheden van de schilderkunst. Het was Sjtsjoekins verdienste dat hij daar meteen het belang van inzag.

Henri Matisse, Serviesgoed Stilleven met blauw tafelkleed, 1909

Henri Matisse, Serviesgoed Stilleven met blauw tafelkleed, 1909 © Succession H. Matisse c/o Pictoright Amsterdam 2010

Als kind al raakte Matisse vertrouwd met textiel door de bloeiende tapijtindustrie in zijn geboorteplaats Le Cateau-Cambrésis. Later ontdekte hij de toile de Jouy, een blauwe of rode stof met pastorale en florale motieven die in de buurt van Versailles werd geproduceerd. In de vorm van gestileerde arabesken spelen deze motieven een rol in diverse van zijn schilderijen. Door de stof te presenteren als tafelkleed én achtergrond, benadrukte Matisse hier het platte vlak, nog eens versterkt door het ontbreken van schaduw. Het oranje en oker contrasteren sterk met het omringende blauw. Men beschouwt dit doek wel als een naschrift bij De rode kamer, waar Matisse dezelfde stof als uitgangspunt had gekozen.

Albert Marquet, De haven van Hamburg, 1908

© Albert Marquet, De haven van Hamburg, 1908, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Marquet, die opgroeide in Bordeaux, raakte al vroeg gefascineerd door schepen. Zijn vele reizen voerden hem later naar havensteden als Marseille en Le Havre, maar ook naar Venetië en Napels. In de winter van 1909 schilderde hij in twee maanden tijd dertien versies van de haven in Hamburg. Sinds 1906 temperde Marquet zijn kleuren, al is de bijna naïef weergegeven sleepboot nog felrood. Uiteindelijk zou Marquet een eigen stijl ontwikkelen, die zich kenmerkte door vloeiend in elkaar overlopende tonen, losse toetsen en het vrijwel ontbreken van details. De sfeervolle, gestructureerde composities maakten zijn werk zeer geliefd bij verzamelaars.

Albert Marquet, Rainy Day in Paris (Nôtre-Dame Cathedral), 1910

© Albert Marquet, Rainy Day in Paris (Nôtre-Dame Cathedral), 1910, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Vasily Kandinsky, Compositie VI, 1913

© Vasily Kandinsky, Compositie VI, 1913, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Deze dynamische kleurensymfonie schilderde Kandinsky aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Ze is gebaseerd op het thema van de Zondvloed, maar wordt wel beschouwd als zijn eerste volledig abstracte werk. Het lijkt een verregaande uitwerking van de ‘openlijke emotionaliteit’ die schilders aan het begin van de twintigste eeuw nastreefden. Kandinsky onderscheidde drie vormen van abstractie. Eerst de impressie als verwerking van observaties en indrukken, daarna de improvisatie die plotseling en onbewust opkwam, en tenslotte de compositie, de ‘hoogste synthese van bewustzijn, intuïtie, ervaring en emotie’. De kunstenaar zag zichzelf als een medium dat hogere krachten de vorm van een kunstwerk kon geven.

Vasily Kandinsky, Winter, 1909

© Vasily Kandinsky, Winter, 1909, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Kleur speelde een grote rol in Kandinsky’s weg naar abstractie. Ooit zou hij een van zijn schilderijen omgekeerd hebben zien staan. Hij vond het ‘van een onbeschrijflijk overweldigende schoonheid.’ […] ‘het stelde geen enkel herkenbaar object voor, het was uitsluitend samengesteld uit lichtende kleurvlekken […]’. De sterk contrasterende kleuren en de verticale en horizontale lijnen benadrukken het tweedimensionale karakter van het werk. Het gele huis in het midden steekt fel af tegen de donkere omgeving. De blauwe, gele en groene penseelstreken in de lucht zijn weerspiegeld als kleurvlekken op de voorgrond.

Kees van Dongen, Lady in a Black Hat, 1908

© Kees van Dongen, Lady in a Black Hat, 1908, c/o Pictoright Amsterdam 2010

In Montmartre schilderde Van Dongen vanaf 1905 veel portretten van actrices, circusartiesten en prostituees. Hij hield van de zelfkant van de samenleving. Over zijn onderwerpkeuze zei hij eens: ‘Wanhoop is een speeltje waarmee wij jongleren.’ Hij had niet tot doel een gelijkend portret te maken, maar wilde typen weergeven, zoals hier de ‘femme fatale’. Hij gaf haar amandelvormige ogen en felgekleurde lippen. In 1908 schilderde Van Dongen een reeks damesportretten in overwegend groen en zwart. Wie zijn model was, is onbekend. Wel voelen we met haar, de zwaarte van de diepzwarte hoed. Zo’n modieus attribuut was gewoonlijk voorbehouden aan de beau monde.

Kees van Dongen, Spring, 1908

© Kees van Dongen, Spring, 1908, co Pictoright Amsterdam 2010

Pablo Picasso, De absintdrinkster, 1901

© Pablo Picasso, De absintdrinkster, 1901, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Tussen 1900 en 1904 verbleef Picasso afwisselend in Barcelona en Parijs. De jonge schilder liet zich inspireren door het nachtleven en verkeerde in kringen van bohemiens en kunstenaars. In Montmartre, waar hij in 1904 zou gaan wonen, schilderde hij zowel mondaine dames als eenzame figuren in cafés. Het grove doek en de grote kleurvlakken van dit schilderij doen denken aan Gauguin, de sprekende lijnen aan Toulouse-Lautrec. De magere, ongezond ogende vrouw staart met samengeknepen ogen naar de verleidelijke alcohol. Haar handen zijn als klauwen. Picasso gaf haar kapsel dezelfde vorm als de hoofddeksels van zieke, gedetineerde prostituees in die tijd.

Pablo Picasso, Tafeltje in een café (Fles pernod en glas), 1912

© Pablo Picasso, Tafeltje in een café (Fles pernod en glas), 1912, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Voor de Eerste Wereldoorlog werkten Picasso en Braque nauw samen. De stijl van hun werk uit 1910 en 1911wordt ‘analytisch kubisme’ genoemd. Ze schilderden met ingetogen kleuren en gefragmenteerde vormen. Picasso sprak wel van ‘gebroken spiegels’. De meeste werken die tussen 1912 en 1914 ontstonden, passen binnen het ‘synthetisch kubisme’. In deze stijl bouwden de schilders hun beeld op uit losse elementen, soms in de vorm van collages van krantenknipsels of ander materiaal. Picasso, die kunst zag als ‘een taal van symbolen’, speelde in dit stilleven met geschilderde letters. De warme toon van het tafelblad met de nadrukkelijke houtstructuur contrasteert met de pasteltinten. De groene kleur verwijst naar de drank pernod.

Pablo Picasso, Vrouw met een waaier, 1907-1908

© Pablo Picasso, Vrouw met een waaier, 1907-1908, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Picasso schilderde regelmatig naakte, zittende vrouwen. In 1908 schilderde hij meerdere dynamische figuurstukken, gebaseerd op schetsen naar model. De geometrische vervormingen en architectonische opbouw ontstonden pas tijdens het werken op doek. De frontaal weergegeven vrouwen lijken de heersende fatsoensnormen van hun tijd te tarten. Vrouw met een waaier zou opgevat kunnen worden als een parodie op de toen populaire salonstukken.

Marie Laurencin, La Bacchante, 1911

© Marie Laurencin, La Bacchante, 1911, co Pictoright Amsterdam 2010

Chaim Soutine, Zelfportret, 1920-1921

© Chaim Soutine, Zelfportret, 1920-1921, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Dit intrigerende zelfportret is het enige werk van Soutine in Russisch bezit. De kunstenaar vestigde zich in 1913 in Frankrijk, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. Begin jaren twintig begon zijn ster te rijzen. Soutines expressieve stijl met de pasteuze verflagen en de licht verwrongen figuren in felle kleuren, beïnvloedde later vooral de Amerikaanse abstract-expressionisten. Het rauwe portret in geel en groen dat de eigenzinnige schilder van zichzelf maakte, zou gezien een beschrijving van Soutines karakter door een tijdgenoot, wel eens heel gelijkend kunnen zijn: ‘wild, onstuimig en bijzonder kleurrijk’, en tegelijkertijd ‘in de kern rustig, bescheiden, zelfs bijna pijnlijk verlegen’.

Kazimir Malevich, Zwart vierkant, ca. 1930

Kazimir Malevich, Zwart vierkant, ca. 1930– ‘Staatsmuseum Hermitage St.-Petersburg’

Kenners dateren deze vierde en laatste versie van Zwart vierkant rond 1932. Op een tentoonstelling in 1915 in Petrograd (St.-Petersburg) baarde de eerste versie van dit thema veel opzien. Het schilderij hing op een plaats in de zogenaamde mooie hoek, die altijd voorbehouden was geweest aan Russische iconen. Bovendien betitelde Malevich zijn nieuwe stijl zelfbewust als ‘suprematisme’, afgeleid van het Latijnse supremus: het hoogste, voortreffelijk. Zijn bedoeling was ‘een gevoel van non-objectiviteit’ te schilderen of, zoals hij eens uitlegde: ‘het zwarte vierkant = gevoel, het witte vlak = de leegte voorbij dit gevoel’. Volgens de schilder zouden alleen geometrische vormen een dergelijke ‘non-objectiviteit' in kunst zichtbaar kunnen maken.

Henri Matisse, Woman in Green, ca 1909

Henri Matisse, Woman in Green, ca 1909 © Succession H. Matisse c/o Pictoright Amsterdam 2010

Kees van Dongen, Lucie and her Dance-Partner, 1911

© Kees van Dongen, Lucie and her Dance-Partner, 1911, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Voor zijn schilderijen van figuren uit het nachtleven in Parijs koos Van Dongen eenvoudige composities. Zijn modellen, meestal nadrukkelijk poserend en frontaal weergegeven, bezetten het grootste deel van het vlak. Ze komen in hun veel te chique kleding goed uit tegen de eenkleurige achtergrond. Een brede zwarte lijn smeedt de beide figuren tot een solide eenheid. De feloranje sinaasappel lijkt Ginnadu Taïru, Lucies danspartner, vanuit de achtergrond naar voren te schuiven. Lucie zelf lijkt haast gevangen binnen de decoratiepatronen van de bontgekleurde sjaal om haar schouders. Hiermee benadrukte Van Dongen de beperkte diepte, het platte vlak van dit werk, dat eerder bekend stond als ‘Danseres met neger’.

Henri Matisse, Study of a Foot, 1909-1910

Henri Matisse, Study of a Foot, 1909-1910 © Succession H. Matisse c/o Pictoright Amsterdam 2010

Hoewel Matisse zijn sculpturen als autonome kunstwerken beschouwde, herinneren ze soms aan elementen uit zijn schilderijen. Zo vertoont Studie van een voet overeenkomsten met de voet van de tweede vrouw links in De dans. Andere beelden gaan terug op de klassieke beeldhouwkunst. Ook de robuuste bronzen naakten van Aristide Maillol (1861-1944), met wie Matisse in 1905 kennismaakte, waren van invloed op zijn ontwikkeling als beeldhouwer. Matisse de beeldhouwer richtte zich vanaf 1908 steeds meer opde menselijke figuur. In dat jaar startte hij zijn Académie Matisse in Parijs, waar hij jonge, merendeels buitenlandse kunstenaars leerde schilderen en beeldhouwen. De meester zelf streefde in zijn beelden niet zozeer naar anatomische perfectie, maar vooral naar balans en contrast. Ook dat had hij met Maillol gemeen.

Maurice de Vlaminck, Small Town on the Seine, ca 1909

© Maurice de Vlaminck, Small Town on the Seine, ca 1909, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Observatie van het werk van Cézanne resulteerde erin dat De Vlaminck steeds meer belang hechtte aan de compositie. De vormen werden eenvoudiger, de kleuren ingetogener. In dit kalme landschap is uitgegaan van een klassieke compositie met coulissen. Aan weerszijden zien we bomen als gordijnen op een toneel. Ze leiden onze blik naar het centraal gelegen stadje op de achtergrond. Waarschijnlijk is dit geschilderd in de omgeving van Bougival, waar De Vlaminck in 1909 en 1910 werkte. Met Ambroise Vollard als zijn vaste galeriehouder kon hij het zich toen veroorloven alle aandacht op zijn kunst te richten.

Henri Manguin, Compositie VI, 1913

© Henri Manguin, Compositie VI, 1913, c/o Pictoright Amsterdam 2010

De levensvreugde ofwel ‘joie de vivre’ die Manguin zo kenmerkte, reflecteerde als vanzelf in zijn kunst. Hij trok er graag vroeg op uit om te schilderen in de natuur. Daarbij leek hij met het vele jubelende oranje en rood vooral de zon te willen vastleggen. Hoewel de schilder bewust experimenteerde met zuivere kleuren, werden deze nooit schreeuwerig en bleven zijn composities harmonieus en herkenbaar. In dit landschap valt meteen de rode aarde op. Afgeleid door deze triomf van kleur, zien we zijn model en tevens echtgenote Jeanne bijna over het hoofd.

Albert Marquet, Rainy Day in Paris (Nôtre-Dame Cathedral), 1910

© Albert Marquet, Rainy Day in Paris (Nôtre-Dame Cathedral), 1910, c/o Pictoright Amsterdam 2010

In 1908 betrok Marquet het vroegere atelier van Matisse, op de zesde verdieping van een pand aan de Quai Saint-Michel in Parijs. Het was duur, maar bood een prachtig uitzicht op de Seine en de Notre-Dame. Marquet schilderde het vele malen, in steeds wisselende composities. Hier zien we de mistige, grijze en regenachtige atmosfeer die in veel van zijn schilderijen terugkomt. De mensen die op de natgeregende kade onder zijn raam lopen, typeerde hij met een enkele penseelstreek. Ons oog gaat echter vooral naar de kathedraal en de aaneengeschakelde, statische gebouwen die samen met het water de hoofdrol in deze compositie spelen.

Georges Rouault, Spring, 1911

© Georges Rouault, Spring, 1911, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Voordat Rouault schilder werd, was hij in de leer bij een restaurator van glas-in-loodramen. Dit verklaart waarschijnlijk zijn voorkeur voor zwarte contouren en, later in zijn carrière, sprekende kleuren. In zijn vroege werk hanteerde Rouault nog een vrij somber palet. In 1911 werd Versailles, waar hij toen woonde, getroffen door een overstroming. In deze tekening suggereren zwarte vloeiende lijnen en blauwe, nadrukkelijke vegen het hoogstaande water. Zowel de compositie als de kleuren doen denken aan glas-in-loodramen uit de middeleeuwen, maar nieuw is de sterke expressie. Niet voor niets vormde Rouaults werk een inspiratiebron voor de jonge Duitse expressionisten van de kunstenaarsgroep Die Brücke.

Othon Friesz, The Temptation (Adam and Eve), 1910

© Othon Friesz, The Temptation (Adam and Eve), 1910, ‘Staatsmuseum Hermitage St.-Petersburg’

Maurice Utrillo, Rue Custine in Montmartre, 1909-1910

© Maurice Utrillo, Rue Custine in Montmartre, 1909-1910, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Net als de impressionisten vóór hem schilderde Utrillo graag Parijse stadsgezichten. Bij hem vinden we echter geen vluchtige, beweeglijke impressies van straten en pleinen vol mensen en verkeer. Utrillo vereeuwigde bij voorkeur de statische monumentaliteit van gebouwen in desolate straten, onder meer in zijn eigen woonwijk Montmartre. Hij baseerde zich daarbij het liefst op foto’s op ansichtkaarten, die hem het uitgangspunt voor een stevige compositie boden. Tussen 1907 en 1914 gebruikte hij wit als verbindend element in zijn schilderijen. Behalve de dominantie van het wit en de scherpe contouren vallen op dit werk vooral de ramen op. Ze lijken de alziende ogen van de gebouwen.

Raoul Dufy, Portrait of Susanne Dufy, 1904

© Raoul Dufy, Portrait of Susanne Dufy, sister of the painter, 1904, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Dufy schilderde begin twintigste eeuw al met losse penseelstreken en contrasterende, opvallend heldere kleurvlakken. Hij wist er een sterke expressie mee te bereiken. Dit kleine, maar monumentaal aandoende portret van zijn zus Suzanne bevat een sterk contrast tussen het rood van haar jurk en kapsel en de lichtblauwe achtergrond. Het schilderij straalt een frisheid uit waar Dufy in die jaren patent op leek te hebben. Foto’s tonen aan dat hij zijn zuster treffend heeft vastgelegd. Dufy’s grootste inspiratiebron in die tijd was Van Gogh.

Charles Guérin, Nude, 1910

© Charles Guérin, Nude, 1910, ‘Staatsmuseum Hermitage St.-Petersburg’

Als leerling van Gustave Moreau leerde Guérin de decoratieve mogelijkheden van kleur te benutten zonder er al te uitgesproken mee te experimenteren. Om tot zijn vakmanschap te komen, kopieerde hij oude meesters in het Louvre. De herkenbare vorm bleef hem houvast bieden en zijn kleurkeuze was, ondanks invloeden van het fauvisme, eerder harmonieus dan gewaagd. Vooral Sjtsjoekin toonde zich enthousiast over het werk van Guérin, die zijn modellen in fraaie poses vastlegde. Dit model lijkt in alle rust te poseren, niet in het minst gehinderd door de grote modieuze hoed die op pikante wijze contrasteert met haar naakte lichaam.

André Derain, Still Life with Skull, 1912

© André Derain, Still Life with Skull, 1912, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Pablo Picasso, Boy with a Dog, 1905

© Pablo Picasso, Boy with a Dog, 1905, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Aanvankelijk schilderde Picasso melancholieke onderwerpen in koele, voornamelijk blauwe tinten. Rond 1905 koos hij een warmer, overwegend roze palet voor het afbeelden van rondtrekkende muzikanten en circusartiesten. Met zijn vriendin en model Fernande Olivier bezocht hij regelmatig het populaire Circus Medrano. In een neoclassicistische, lineaire stijl ontstonden enkele uitvoeringen van Jongen met hond, als studies voor het doek Kunstenmakersfamilie (nu in Washington).

Alexey Javlensky, Landscape with a Red Roof, 1911

© Alexey Javlensky, Landscape with a Red Roof, 1911, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Von Jawlensky werkte met zijn landgenoot en vriend Kandinsky in München en in Murnau. Voor zijn ontwikkeling naar non-figuratieve kunst was het werk van Cézanne, Van Gogh, Gauguin en Matisse, met wie hij een tijdje samenwerkte, van groot belang. Ook liet hij zich inspireren door Russische volkskunst en iconen. Zoals veel kunstenaars met wie hij in Duitsland zij aan zij werkte, beschouwde Von Jawlensky kleur als hét beeldmiddel om los te komen van een natuurgetrouwe weergave. Opvallend in dit landschap is het gevecht tussen warme en koude kleuren. Het rood wil naar de voorgrond dringen, maar wordt nog net in toom gehouden door de complementaire kleur groen.

Henri Le Fauconnier, The Signal, 1915

© Henri Le Fauconnier, The Signal, 1915, ‘Staatsmuseum Hermitage St.-Petersburg’

In de Eerste Wereldoorlog verbleef Le Fauconnier in Nederland. Hier sloot hij zich aan bij Het Signaal, een pacifistische organisatie van schilders en schrijvers. De Fransman fungeerde als schakel tussen de internationale en de plaatselijke kunst. Zijn schilderij Het signaal werd positief ontvangen. Jan Toorop sprak van een ‘psychologische kwaliteit’ en Le Fauconnier zelf noemde het later ‘een van mijn meest karakteristieke werken’. Omgeven door rookpluimen loopt een arbeider, met krulsnor en fier gestrekte nek, resoluut weg van de donkere tunnel op de achtergrond. Om de gewenste ‘taal van de gevoeligheid’ te bereiken, vervormde Le Fauconnier de verhoudingen en het perspectief. Critici zagen in het verontrustend grote rode vlak een waarschuwing tegen geweld.

Amédée Ozenfant, Still Life with Dishes, 1920

© Amédée Ozenfant, Still Life with Dishes, 1920, c/o Pictoright Amsterdam 2010

Dit kalme, vlakke stilleven geldt als een van de beste voorbeelden van Ozenfants purisme. Hij introduceerde dit ‘isme’ in 1918 in het manifest Na het kubisme dat hij schreef samen met de bekende architect Le Corbusier. Hij streefde naar een volledig rationele kunst, ontdaan van elke subjectiviteit. In het industriële tijdperk waarin deze schilder en theoreticus leefde, toonde hij zich een fervent voorstander van massaproductie van objectieve, rationele vormen. Ozenfant probeerde zijn stillevens te schilderen zonder welke individuele interpretatie dan ook. Altijd met dezelfde scherp afgetekende contouren om dezelfde geometrische glazen en flessen, en altijd zonder mensen om ze leeg te drinken.

Interior Maison Shukin

Matissezaal (Roze Zaal) in het huis van Sergej Sjtsjoekin, oktober 1911. Foto Orlov

Sergey Ivanovich Shchukin

Sergey Ivanovich Shchukin. Photograph. 1913

Openingstijden

Dagelijks 10–17 uur
Gesloten 26 april en 25 december 2014

© State Hermitage Museum, St Petersburg

De Hermitage Amsterdam is gevestigd op de Amstel 51.

Contact

Voor informatie over de tentoonstellingen, de programmering, de online ticketshop, het gebouw en reserveringen van rolstoelen, groepsbezoeken en CKV-programma’s:
+31 (0)20 530 87 55

Voor alle overige vragen en voor het kantoor: +31 (0)20 530 87 55

Voor reserveringen van rondleidingen en zalen:
0900 HERMITAGE (0900-437648243) lokaal tarief

Voor het reserveren van audiotours (mogelijk vanaf 15 audiotours) kunt u contact opnemen met reservations@guideid.com

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.