Massijs, Rubens, Van Dyck en de anderen

Schilderkunst in Antwerpen, 1500-1650

Ben van Beneden

Antwerpen, gunstig gelegen aan de monding van de Schelde, beleefde aan het begin van de zestiende eeuw een periode van ongekende economische bloei en welvaart. In enkele decennia groeide de havenstad uit tot een machtige handelsmetropool en het belangrijkste kunstcentrum ten noorden van de Alpen. De komeetachtige opkomst van de Scheldestad oefende een reusachtige aantrekkingskracht uit, niet alleen op kooplieden, maar ook op schilders en andere hooggeschoolde ambachtslieden. Nergens anders in de Nederlanden konden jonge, ambitieuze kunstenaars zich beter op de hoogte stellen van de nieuwste artistieke ontwikkelingen. Niet alle bekende kunstenaars die in de zestiende eeuw in Antwerpen woonden en werkten, waren er ook geboren. Jan Gossaert van Maubeuge en Lucas van Leyden bijvoorbeeld waren slechts tijdelijk in Antwerpen actief. Anderen, zoals de Utrechter Anthonis Mor (Antonio Moro) of Hans Vredeman de Vries uit Friesland, reisden hun leven lang door Europa op zoek naar nieuwe artistieke uitdagingen, maar hielden Antwerpen aan als uitvalsbasis.

De bijzondere concentratie van heel goede kunstenaars bracht in hoog tempo vernieuwingen teweeg die snel en breed ingang vonden. Inventieve schilders zochten naar nieuwe mogelijkheden en keken naar Italiaanse voorbeelden. Hun composities werden harmonieuzer, hun figuren anatomisch natuurlijker. Klassieke architectonische elementen en op Italiaanse voorbeelden geïnspireerd ornament deden hun intrede. De vinnige concurrentieslag tussen de schilders zal ongetwijfeld tot specialisatie hebben aangezet. Veel van wat later werd betiteld als 'typisch Nederlands' – het realistische landschap, het stilleven, taferelen uit het dagelijks leven – ontstond in Antwerpen. De grote vraag bracht een massaproductie op gang van kunst van uiteenlopende kwaliteit. Zowel voor de binnenlandse markt als voor de export naar bijvoorbeeld Italië, Spanje en Zuid-Amerika werden steeds grotere aantallen schilderijen geproduceerd, van het duurste maatwerk tot goedkope confectie, zowel in opdracht als on spec. Kopieën van schilderijen van populaire meesters werden eveneens in toenemende mate vervaardigd. Naast de grote meesters waren tal van kleinere of anonieme schilders actief die hun vak meer dan behoorlijk verstonden.

Quinten Massijs (1456 of 1466-1530), geboren in Leuven waar hij zijn opleiding wellicht bij Dirk Bouts had genoten, werd de eerste befaamde kunstenaar van de stad. Samen met zijn tijdgenoot Joos van Cleve (ca. 1485-ca. 1540) sloeg hij de brug tussen de laatmiddeleeuwse traditie en de renaissance van de zestiende eeuw. In menig opzicht was Massijs een typische kunstenaar van de nieuwe tijd. Hij schilderde voornamelijk religieuze werken, maar waagde zich daarnaast ook aan moraliserende genretaferelen en geanimeerde portretten, die van een nieuwe kijk op de mens getuigen. Massijs bracht natuurlijke beweging in zijn portretten door middel van de handen, die vaak een humanistische, retorische gebarentaal spreken, en was ook een van de eersten die aandacht besteedden aan de karakterisering van zijn modellen. In 1517 vervaardigde hij het oudst bekende portret van Erasmus. Van Massijs' hand bleven bovendien enkele groteske tronies bewaard, die vertrouwdheid verraden met de karikatuurstudies van Leonardo da Vinci, met wie hij kennelijk de renaissancebelangstelling voor de menselijke fysionomie deelde. Het is tekenend voor Massijs' faam dat er al spoedig kopieën naar zijn werk werden gemaakt, onder meer door Rubens. Naast Massijs en Van Cleve bepaalden in de eerste helft van de zestiende eeuw nog twee andere historieschilders het gezicht van de Antwerpse kunst: Pieter Coecke van Aelst (1502-1550) en Jan van Hemessen (ca. 1500-na 1575. De in Aalst geboren Coecke was een homo universalis: schilder, architect en ontwerper van prenten, gebrandschilderd glas en tapijten, maar wellicht het meest bekend als vertaler van de architectuurboeken van de Italiaanse architect Sebastiano Serlio. Hiermee leverde Coecke een belangrijke bijdrage aan de verspreiding van de renaissance in het noorden. Jan van Hemessen, geboren in Hemiksem bij Antwerpen, bezocht in de jaren twintig van de zestiende eeuw Italië, waar hij kennis maakte met de kunst van de Italiaanse renaissance. Het meest vernieuwende onderdeel van zijn oeuvre bestaat uit Bijbelse voorstellingen met een genreachtig karakter zoals De verloren zoon. Van Hemessens onconventionele composities met fors gemodelleerde, beeldvullende figuren waren in zijn tijd bijzonder gedurfd.

Joachim Patinir (ca. 1480-1524) en Herri met de Bles (ca. 1510-na 1555?), beiden uit Dinant, waren de eerste schilders in Antwerpen en in de Nederlanden die zich specialiseerden in de uitbeelding van het landschap. Daarbij ging het meestal om bontgekleurde, vanuit een hoog standpunt weergegeven fantasielandschappen die het decor vormden voor een Bijbels verhaal. Voor zijn figuurtjes deed Patinir vaak een beroep op collega-schilders als Massijs en Van Cleve. De Amsterdammer Pieter Aertsen (ca. 1508-1575) wist zich in Antwerpen een vaste plaats te veroveren met boerentaferelen, die voorafgaan aan die van Pieter Bruegel, en legde met zijn markt- en keukenstukken in combinatie met Bijbelse thema's de basis voor de stillevenschilderkunst. In 1555 of 1556 keerde Aertsen terug naar zijn geboortestad, maar zijn jongere Antwerpse neef en leerling Joachim Beuckelaer (ca. 1533-1575) vervolgde de door hem ingeslagen weg. Hans Vredeman de Vries (1526-1609) experimenteerde met verschillende perspectiefconstructies en maakte als eerste het schilderen van perspectieven – zoals architectuurschilderijen toen werden genoemd – tot zijn specialisme.

Halverwege de zestiende eeuw was Frans Floris (1519/20-1570) de succesrijkste historieschilder van Antwerpen. Na zijn Italiaanse reis maakte hij furore met krachtig opgezette schilderijen waarin de nieuwste ontwikkelingen bij de Italiaanse tijdgenoten waren verwerkt. Hij was ook de eerste die mythologische thema's introduceerde in de Antwerpse schilderkunst. Evenals zijn leermeester Lambert Lombard (1505/06–1566) profileerde hij zich als een pictor doctus, een schilder die over een brede humanistische kennis beschikte. Floris' generatiegenoten Anthonis Mor (1519-1576), Willem Key (ca. 1520-1568) en Adriaen Thomasz. Key (ca. 1545-ca. 1589) waren eveneens als historieschilder opgeleid, maar genoten vooral een reputatie als meesterlijke portretschilders. Willem Key en Mor behoorden in Antwerpen tot de eersten die zich volledig op de portretkunst toelegden.

De artistieke productie in zestiende-eeuws Antwerpen kende een buitengewoon grote thematische en stilistische variëteit. De identiteit van de toenmalige lokale kunst – het typisch 'Antwerpse'– laat zich dan ook lastig bepalen. Pas in de zeventiende eeuw, de eeuw van Rubens en Van Dyck, ging de Antwerpse kunstproductie een grotere homogeniteit vertonen, maar een karakteristieke stijl met een onmiskenbaar als 'Antwerps' te bestempelen karakter heeft zich nooit ontwikkeld.

Toen de Spanjaarden in 1585 de stad innamen, werd het calvinistische Antwerpen in één klap getransformeerd tot een katholiek centrum. Het moest zijn machtige economische positie uiteindelijk afstaan aan Amsterdam, inmiddels dankzij de handel met de Oost de rijkste stad van Europa. Er voltrok zich een ware leegloop, en met de talloze ondernemers en hoogopgeleide vaklui verhuisde ook veel jong schilderstalent om geloofsredenen naar het noorden. Toch betekende dit voor Antwerpen niet dat er een abrupt en definitief einde kwam aan de internationale handel, de welvaart en de artistieke cultuur. De schilderkunst bleef er uiterst vitaal en van hoge kwaliteit, en mede dankzij geniale schilders als Rubens en Van Dyck beleefde de stad zelfs een nieuwe periode van opmerkelijke artistieke bloei.

De val van Antwerpen was het nog onbedoelde begin van de scheiding van de beide Nederlanden, niet alleen religieus en politiek, maar gedeeltelijk ook op kunstzinnig gebied. In het zuiden stonden de contrareformatorische kerk, maar ook het hof in Brussel, de adel en de toplaag van de burgerij garant voor een continue stroom bestellingen. Wat dit betreft lag de situatie beduidend anders dan in de Noordelijke Nederlanden, waar kerk en hof (behalve dat van Frederik Hendrik) vrijwel geen rol meer speelden als opdrachtgever voor kunstenaars. Ook de Hollandse burgers bestelden geen grote Bijbelse of mythologische voorstellingen meer: hun voorkeur ging uit naar alledaagse onderwerpen. Noord-Nederlandse schilders profileerden zich meer en meer als specialist en de kunst kreeg er een sterk nationaal karakter. In het zuiden bleef de kunst internationaal georiënteerd en het historiestuk dominant.

Peter Paul Rubens (1577–1640) en atelier, Kruisafneming, ca. 1618, Olieverf op doek, 297 x 200 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

De terugkeer van Peter Paul Rubens (1577-1640) in Antwerpen in 1608, na acht buitengewoon vruchtbare jaren in Italië waar hij ook grote indruk had gemaakt, betekende een waar keerpunt voor het Antwerpse artistieke leven. Onder zijn dwingende invloed gingen velen in een grootse, monumentale en uiterst beweeglijke stijl schilderen. Rubens excelleerde in alle categorieën: naast Bijbel, mythologie en geschiedenis had hij ook portret, landschap, dierstuk en stilleven op zijn repertoire staan. Een van Rubens' opmerkelijkste kwaliteiten was ongetwijfeld zijn ongeëvenaarde absorptievermogen: in zijn werk is de zo bewonderde antieke kunst en die van de grote Italiaanse tijdgenoten alom tegenwoordig. Om aan de vele opdrachten te kunnen voldoen exploiteerde Rubens een grootschalig atelier, waarvan de organisatie was afgekeken van de artistieke praktijk in Italië en waar talrijke medewerkers deelnamen aan de uitwerking van grote opdrachten. Dat Rubens ook voor veel Hollandse schilders het grote voorbeeld is geweest, blijkt uit het grote aantal Noord-Nederlandse migranten dat voor korte of langere tijd in zijn atelier werkzaam was: Pieter Soutman uit Haarlem, Justus van Egmont uit Leiden, Abraham van Diepenbeeck en Theodoor van Thulden uit 's-Hertogenbosch. Aangetrokken door het imposante werk van collega-schilders als Frans Snijders, die nauw contact hadden met Rubens en schilderijen vervaardigden zoals ze in Holland niet werden gemaakt, kwam ook de Leidenaar Jan Davidsz de Heem naar Antwerpen. Eenmaal terug in Holland werd hij een van de grondleggers van het pronkstilleven.

Frans Snijders (1579–1657), Vogelconcert, 1630–1650, Olieverf op doek, 136,5 x 240
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Rubens' atelier was in Antwerpen absoluut dominant, en artistiek en maatschappelijk overheerste hij in de Zuidelijke Nederlanden beduidend meer dan zijn evenknie Rembrandt in Holland. Zijn sporen zijn evident, niet alleen in de historieschilderkunst, maar ook in genres als stilleven en jachtstuk. Het werk van de virtuoze stilleven- en dierenschilder Frans Snijders (1579-1657) is daarvan een duidelijke getuige. Behalve groots opgezette stillevens met fruit, groenten en jachtbuit, vaak voorzien van een barokke beweeglijkheid, schilderde hij diervoorstellingen, keukenstukken en marktaferelen, waaronder een aantal grote vismarkten die hij zowel in serieverband als per stuk aanleverde. Snijders heeft zich sterk laten beïnvloeden door Rubens, met wie hij vanaf 1609 vaak samenwerkte, en zijn reputatie was dusdanig dat hij ook kon rekenen op de medewerking van andere toonaangevende Antwerpse historieschilders, hoewel hij de figuren op sommige van zijn schilderijen zelf uitvoerde. In navolging van Snijders legde ook Adriaen van Utrecht (1599-1652) zich toe op monumentale stillevens, provisiekamers en marktstukken, maar diens werk is minder virtuoos.

Peter Paul Rubens (1577–1640) en Frans Snijders (1579–1657), De vereniging van Aarde en Water (De Schelde en Antwerpen), ca. 1618–1621, Olieverf op doek, 222,5 x 180,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Behalve stillevens schilderde Rubens een dertigtal jachtstukken, veelal voor vorstelijke en aristocratische opdrachtgevers als Filips IV van Spanje en de aartshertogen Albrecht en Isabella. Rubens toonde zich een groot vernieuwer van het genre door de jacht voor te stellen als een heroïsch gevecht tussen mens en dier. Bovendien was hij een meester in het weergeven van dierlijke agressie en angst: zijn jachttaferelen zijn vaak staaltjes van dierenpsychologie. Bij enkele van zijn jachtstukken riep Rubens voor het schilderen van de dieren de hulp in van specialisten als Snijders of diens zwager Paul de Vos (1591/92 of 1595–1678). Zij namen in hun eigen jachtvoorstellingen Rubens' geanimeerde wijze van uitbeelden over.

Pauwel (Paul) de Vos (1591/92 of 1595–1678), Vechtende honden, 1620–1640, Olieverf op doek, 115,5 x 172,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Rubens speelde ook een hoofdrol in de ontwikkeling van het Vlaamse geschilderde landschap. Geïnspireerd door de schoonheid van de omgeving in de buurt van zijn buitenhuis 'Het Steen' bij Mechelen schilderde hij in de jaren 1630 een aantal uiterst gedurfde atmosferische natuurimpressies die de romantische landschappen lijken aan te kondigen van de grote Engelse landschapschilders John Constable en William Turner. Rubens' vertolkingen van het Brabantse landschap zijn in de zeventiende eeuw slechts door een enkeling nagevolgd. In vergelijking met de Noordelijke Nederlanden kende Antwerpen – behalve Rubens en in mindere mate Jan Wildens (1586-1653), met wie Rubens vaak heeft samengewerkt – geen grote meesters van het landschap.

Anthonie van Dyck (1599–1641), Familieportret, ca. 1619, Olieverf op doek, 113,5 x 93,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

De beroemdste en ongetwijfeld meest getalenteerde medewerker van Rubens was Anthonie van Dyck (1599-1641), een wonderkind dat al rond zijn vijftiende zijn eerste zelfportret schilderde. In Antwerpen werd hij de eerste serieuze concurrent van Rubens, al bleef hij voorlopig in diens kielzog opereren. Later, eenmaal op eigen kracht in Genua en vanaf 1632 als hofschilder van Karel I in Londen, ontpopte Van Dyck zich als een virtuoos portrettist die over een feilloos inlevingsvermogen beschikte en wiens briljante techniek niet onderdeed voor die van Frans Hals. Hoewel Van Dyck het in Antwerpen moest afleggen tegen de ongenaakbare Rubens, vormden zijn historiestukken en portretten een belangrijke inspiratiebron voor collega-kunstenaars. Portretschilders die zich hebben laten inspireren door Van Dyck waren Peter Franchoys (1606-1654) en Michiel Sweerts (1618-1664).

Anthonie van Dyck (1599–1641), Portret van Nicolaas Rockox, 1621, Olieverf op doek, 122,5 x 117 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Van Dyck was overigens niet de enige superieure portrettist in Antwerpen. Eerder had Rubens al zijn naam op dit gebied gevestigd. Vooraanstaande Antwerpse burgers met een minder vooruitstrevende smaak (en een kleinere beurs) gingen naar Cornelis de Vos (1584-1651), een productieve historieschilder die vooral carrière heeft gemaakt met zijn portretten. Dat De Vos toch meeging met zijn tijd blijkt uit een portret dat hij maakte van zijn eigen gezin dat als een snapshot is opgevat, een effect dat hij van Rubens en Van Dyck zal hebben afgekeken. Halverwege de zeventiende eeuw werd Gonzales Coques (1614/18-1684) de portretschilder van de Antwerpse elite. Coques, een van de weinige Antwerpse kunstenaars die zich volledig op de portretkunst toelegden, schilderde vooral portretten van klein formaat en koos daarbij meestal voor een opstelling in een tuin, een landschap of op een terras. Met Philip Fruytiers (1610-1660) was hij ook de wegbereider van het zogenaamde 'conversatiestuk', waarbij een gezelschap converserend in beeld is gebracht.

Cornelis de Vos (1584–1651), Zelfportret met zijn vrouw Susanna Cock en kinderen, 1634, Olieverf op doek, 185,5 x 221 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Ondanks de dominantie van de reuzen Rubens en Van Dyck levert de zeventiende-eeuwse Antwerpse schilderkunst toch een verrassend gevarieerd beeld op. Heel wat historieschilders hebben zich onmiskenbaar door beide grootmeesters laten leiden, maar tegelijkertijd een heel eigen gezicht behouden, dat evenzeer bepaald was door hun kunstenaarspersoonlijkheid als door de inspiratie die ze in Italië opdeden. Dit geldt voor Jacob Jordaens (1593-1678), na de dood van Rubens en Van Dyck de meest gevraagde Antwerpse schilder, maar ook voor Abraham Janssens (ca. 1575-1632), Gerard Seghers (1591-1651), Cornelis Schut (1597-1655) en Erasmus II Quellinus (1607-1678). In Antwerpen werden echter niet alleen imposante historiestukken vervaardigd. Andere meesters, waarvan Hendrick van Balen (1575-1632) een van de belangrijkste was, schilderden Italiaans aandoende historiën op aanzienlijk kleinere formaten.

Jacob Jordaens (1593–1678), Het feestmaal van Cleopatra, 1653, Olieverf op doek, 156,4 x 149,3 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Jan I Brueghel (1568-1625), jongste zoon van Pieter Bruegel, concentreerde zich voornamelijk op landschapjes die als de meest directe voorlopers van het simpele Hollandse landschap kunnen worden beschouwd, en was ook wegbereider van het bloemstilleven, een genre dat hij al vroeg tot groot raffinement bracht. In de traditie van de Vlaamse schilderkunst werkte Brueghel met minutieuze penseelstreekjes in dekkende verf, waarmee hij uiterst gedetailleerde weergaven bereikte van zijn favoriete onderwerpen. Een groter contrast met het werk van zijn vriend Rubens is moeilijk denkbaar. Stillevens met een bloemenkrans rond een in trompe l'oeil geschilderd stenen reliëf waren het handelsmerk van Daniël Seghers (1590-1661), een schilder-jezuïet die het metier leerde bij Jan I Brueghel. Net als zijn leermeester deed Seghers voor de centrale voorstelling vaak een beroep op figuurschilders. De beroemdste voorbeelden van artistieke samenwerking op dit gebied vormen de gezamenlijke werken van Jan I Brueghel en Rubens, maar ook andere meesters hebben hiervoor meer dan eens de krachten gebundeld. Brueghels generatiegenote Clara Peeters (werkzaam vanaf 1607) introduceerde het zuivere visstilleven in Antwerpen en de Nederlanden, maar de productiefste Antwerpse visschilder was Alexander Adriaenssen (1587-1661), al is op de meeste van zijn stillevens de partij vis naast andere zaken afgebeeld, zoals jachtbuit. Vaak schilderde Adriaenssen een diefachtige kat bij zijn visstillevens. Joannes (Jan) Fijt (1611-1661) concentreerde zich voornamelijk op stillevens met jachtbuit in gevarieerde formaten en etaleerde daarbij een meesterlijk gevoel voor textuurweergave. Net als Adriaenssen verlevendigde hij zijn stillevens door de toevoeging van een kat die op de buit aast, of van een jachthond die erover lijkt te waken. Een andere stillevenspecialist was Cornelis Mahu (1613-1689), die bij voorkeur sober gearrangeerde 'ontbijtjes' en 'banketjes' schilderde in de stijl van Haarlemse kunstenaars als Pieter Claesz en Willem Claesz Heda.

Jan Brueghel I (Fluwelen Brueghel, 1568–1625), Boslandschap (Rust op de vlucht naar Egypte), 1607, Olieverf op paneel, 51,5 x 91,5 cm
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Haarlems van origine was ook het werk van Adriaen Brouwer (ca. 1605/06-1638). De in Oudenaarde geboren Brouwer schilderde zijn rokerige kroegtaferelen met ongeciviliseerde, zuipende en vechtende boeren eerst aan het Spaarne, maar bracht de in Holland ontstane nieuwe genrestijl mee naar Antwerpen, waar hij zich in 1631 vestigde. David II Teniers (1610-1690) volgde aanvankelijk zijn voorbeeld, maar later veranderde zijn visie op het boerenleven en werden zijn voorstellingen minder grimmig en soms zelfs lieflijk. Vanaf die tijd ruimde Teniers ook meer plaats in voor het landschap.

In Antwerpen waren Theodoor Rombouts (1597-1637), Adam de Coster (1585/86-1643) en Gerard Seghers de voornaamste vertegenwoordigers van het caravaggistische genretafereel dat in heel Europa, en vooral ook in Utrecht, korte tijd zeer populair was. Deze schilders lieten zich inspireren door de gedurfde werken van Caravaggio en diens belangrijkste navolger Bartolomeo Manfredi. Het vroegste werk van Jan Cossiers (1600-1671) is door zijn thematiek en de opmerkelijke belichting met sterke licht-donker effecten eveneens verwant aan dat van de caravaggisten. Ook Jacob Jordaens heeft zich met genre bezig gehouden. Zeer geliefd waren zijn uitbeeldingen van het Driekoningenfeest ('De koning drinkt') en van 'Zo de ouden zongen, zo pijpen de jongen', een spreekwoord dat hij had opgediept uit het werk van de Jacob Cats en waaraan Jan Steen ruim twee decennia later zijn eigen interpretatie zou geven.

Sommige genres, zoals de marine- of de architectuurschilderkunst, haalden in Antwerpen lang niet het niveau van de Noordelijke Nederlanden. De 'toevallige' scheve doorkijkjes in kerkgebouwen die Gerard Houckgeest en Emanuel de Witte omstreeks 1650 met groot gevoel voor licht en ruimte in Delft hadden geïntroduceerd, lijken aan de Antwerpse architectuurschilders voorbij te zijn gegaan. Andere genres kwamen in Antwerpen in het geheel niet tot ontwikkeling. Zo kende de lokale schilderkunst geen equivalent voor de eenvoudige binnenhuisscènes met een of meer figuren in een interieur, zoals die in Delft werden geschilderd door Pieter de Hooch en Johannes Vermeer. Maar er bestond ook een genre dat exclusief in Antwerpen werd beoefend: de kunstkamervoorstelling. Op een van de mooiste voorbeelden daarvan toont de eigenaar het pronkstuk uit zijn collectie – Quinten Massijs' Madonna en kind – aan hooggeplaatste gasten, terwijl Rubens toelichting geeft bij het werk van zijn illustere voorganger. Onder de aanwezigen herkennen we Anthonie van Dyck en Frans Snijders: Antwerpen kende zijn schildershelden. Tegelijkertijd geeft dit schilderij een prachtig beeld van de rijkdom en het buitengewoon veelzijdige karakter van de zestiende- en zeventiende-eeuwse Antwerpse school.

Openingstijden

Dagelijks 10–17 uur
Gesloten 25 december 2014 en 27 april 2015

© State Hermitage Museum, St Petersburg

De Hermitage Amsterdam is gevestigd op de Amstel 51.

Contact

Voor informatie over de tentoonstellingen, de programmering, de online ticketshop, het gebouw en reserveringen van rolstoelen, groepsbezoeken en CKV-programma’s:
+31 (0)20 530 87 55

Voor alle overige vragen en voor het kantoor: +31 (0)20 530 87 55

Voor reserveringen van rondleidingen en zalen:
0900 HERMITAGE (0900-437648243) lokaal tarief

Voor het reserveren van audiotours (mogelijk vanaf 15 audiotours) kunt u contact opnemen met reservations@guideid.com

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.