Spaanse kunst
Verrassend, origineel en van een unieke intensiteit

Achtergrondverhaal

Het middeleeuwse Spanje was het land van grote veldslagen, van christenen tegen de islamitische Moren, van katholieken tegen protestanten. Maar ook een land waar oost en west elkaar ontmoetten. In het kalifaat van Córdoba ontstond een smeltkroes van joden, christenen en Moren die bijzondere architectuur, cultuur en wetenschap opleverde. Deze opmerkelijke beschaving was van grote invloed op de Spaanse kunst. In deze oorsprong zit een sleutel tot beter begrip van de West-Europese cultuur. Vanaf 1250 kregen de christenen meer voet aan de grond. In een eeuwen durend proces veroverden zij steeds meer delen van het land op de Moren. De christelijke kunst uit die tijd was overvloedig gedecoreerd, onder invloed van prachtige Moorse voorbeelden. Een Duitse non noemde Córdoba ‘het schitterende sieraad van de wereld’.

Vrijwel direct na de val van het laatste Moorse bolwerk en Columbus’ ontdekking van Amerika, beide in 1492, werd het christelijke Spanje een wereldmacht. Koning Karel I (1500–1558) bracht het hele Iberische schiereiland onder één kroon. Bovendien werd hij keizer van het Heilige Roomse Rijk, waarbij hij de Nederlanden en Zuid-Italië erfde. Wij kennen hem als keizer Karel V. Onder hem brachten avonturiers gebieden in Afrika, Azië en vooral Amerika onder de Spaanse kroon. Spanje noemde zich het ‘Rijk waar de zon nooit ondergaat’ en werd een naar buiten gericht land, dat de vernieuwingen van de renaissance gretig opnam. Zeer belangrijk bleken de Italiaanse invloeden die veel jonge Spaanse schilders ondergingen op studiereizen en -verblijven in Venetië en Rome. Zijn zoon Filips II (1527–1598) volgde in 1556 Karel op. Hij erfde een nauwelijks bij elkaar te houden rijk, dat bovendien werd uitgeput door meerdere godsdienstoorlogen. De zeer katholieke Filips isoleerde Spanje steeds meer, verloor de Nederlanden en richtte een rechtssysteem op, de Spaanse Inquisitie, dat koste wat kost de katholieke dominantie in eigen land moest handhaven. Spaanse kunstenaars moesten voortaan religieuze propaganda maken, op een wijze die iedereen kon begrijpen.

In 1561 verplaatste Filips de landshoofdstad van Toledo naar de kleine maar zeer centrale stad Madrid. Twee jaar later begon niet ver daarvandaan de bouw van het paleis en grandioze kloostercomplex El Escorial. De koning wilde dat de beste Spaanse en buitenlandse kunstenaars de decoraties van het enorme complex verzorgden, en wel zo dat ze het absolutisme en de kerk verheerlijkten. Filips wilde alle controle over de kunst houden en stelde er daarom regels voor in. Religieuze afbeeldingen moesten duidelijk zijn en geen overbodige details bevatten. Afbeeldingen van heiligen moesten ondubbelzinnig oproepen tot gebed.

José de Ribera (1591–1652), Sint Hiëronymus en de engel, 1626
© State Hermitage Museum, St Petersburg

16de–17de eeuw: de Gouden Eeuw

De Spaanse en Italiaanse meesters die het Escorial decoreerden, namen in hun stijl veel over van het maniërisme: ingewikkelde houdingen, overdreven spierbundels, sterke draaiingen en felle, koele kleuren om emoties en dramatiek uit te drukken. Zij zetten daarmee de toon voor de schilderkunst aan het Spaanse hof.

Een van de eerste hofschilders was Alonso Sánchez Coello (1531/32–1588), die zich liet inspireren door de twee grootste portrettisten van Europa, Titiaan uit Venetië en Antonis Moor uit de Nederlanden. Hij zette de toon voor een typisch Spaans staatsieportret, een vast stramien van houding, gebaren en attributen waarbij de hoge sociale positie van de geportretteerden meer aandacht kreeg dan de exacte gelijkenis. Coello’s Portret van de infanta Catalina Micaela van Oostenrijk, de dochter van Filips II, uit 1582–85 is er een treffende getuigenis van.

De bouw van het Escorial trok ook kunstenaars vanuit Italië naar Spanje. Een van hen was Doménikos Theotokópoulos (1541–1614), bijgenaamd El Greco, de Griek. Hij was opgeleid als iconenschilder en werkte in de Byzantijnse schildertraditie. Hij volgde lessen bij Titiaan en maakte kennis met de verbluffende werken van Tintoretto en Veronese. In Spanje ontving El Greco enkele opdrachten van Filips II, maar hij werd geen hofschilder. Hij hield zich totaal niet aan regels.

El Greco trok naar Toledo, nog steeds de religieuze hoofdstad. Voor de kathedraal van de stad maakte hij in 1579 het schilderij De ontkleding van Christus (vlak voor zijn kruisiging; niet in de tentoonstelling), waarin hij alle registers opentrok, zijn hele originele talent openbaarde. Dat kenmerkte zich door een virtuoos realisme dat tegelijkertijd het realisme ontsteeg. Hij brak met alle regels om zich te kunnen uiten. Na de koning wees nu ook de kathedraal zijn werk af. De schilder ging verder om alleen nog zijn eigen visie te volgen.

Niet dat El Greco’s werk niet religieus is. Het bevat een intense vorm van spiritualiteit: mystiek. De extreme devotie wordt bijna fysiek voelbaar in zijn experimenten. Smachtende personages die sidderend van energie, haast barstend uit de lijst zijn weergegeven, vaak in vlammend schitterende kleuren. Maar nooit ontbreken verrassend tedere momenten.

Monniken waardeerden zijn werk. Hij kreeg steeds meer opdrachten. Zijn definitieve faam vestigde El Greco in 1586 met de reusachtige Begrafenis van de graaf van Orgaz (dat nooit de Iglesia de San Tomé in Toledo verlaat, dus niet in de tentoonstelling). Kort daarna maakte hij het diepzinnig en virtuoos geschilderde De apostelen Petrus en Paulus.

El Greco (Doménikos Theotokópoulos, 1541–1614), De apostelen Petrus en Paulus, 1587–92
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Valencia – Ribalta: revolutionaire realist

De geboren Catalaan Francisco Ribalta (1565–1628) begon zijn loopbaan in Madrid en in het Escorial. De Hermitage bezit Ribalta’s eerste bekende schilderij, een Kruisiging uit 1582. Zijn vroege stijl is vaak sterk beïnvloed door het uitgesproken maniërisme van de kunst in het Escorial, zie Het martelaarschap van Sint Catharina (1599). Aan zijn atelier wordt De verkondiging van Sint Vincentius Ferrer uit de jaren 1610 toegeschreven, nog geschilderd in de stijl van het maniërisme maar al met sterk realistische trekken. Ribalta schilderde monumentale doeken met heldhaftige heiligen, in een streng kleurengamma en met sterke lichtcontrasten. Het waren voorbodes van een nieuwe richting in de Spaanse schilderkunst: het dramatisch realisme. Een typisch voorbeeld is Sint Vincentius, Sint Vincentius Ferrer en Sint Raymundus van Peñafort (jaren 1620), toegeschreven aan de school van Ribalta.

Francisco Ribalta (1565–1628), Kruisiging, 1582
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Sevilla – Zurbarán en Murillo: mystiek licht

In de zeventiende eeuw was Sevilla de rijkste en meest bedrijvige stad van Spanje. Hier was goudkoorts voelbaar. Hiervandaan vertrokken de schepen naar Amerika om te worden volgeladen met goud en zilver. Er heerste een sfeer waarin kunst uitstekend kon gedijen, waarin kerken en kloosters schitterend gedecoreerd werden en waar nieuwe trends snel weerklank vonden. Francisco de Zurbarán (1598–1664) ontving vanaf 1626 opdrachten in Sevilla. Hij was een grote religieuze schilder en beheerste de chiaroscuro-techniek zo meesterlijk dat hij de ‘Spaanse Caravaggio’ werd genoemd. Kloosterlingen waren verreweg zijn meest geliefde onderwerp. Hij schilderde monniken die zélf visioenen krijgen, simpel en sober. Zijn stijl was even extreem als vroom. Een spiritueel minimalisme, waarin hij al het aardse verwierp: óf je staat in Gods licht, óf je wordt in het donker geworpen.

In Zurbaráns werkplaats en waarschijnlijk met medewerking van hemzelf kwam rond 1630 Sint Franciscus, staand met een schedel in handen tot stand. Iets later schilderde Zurbarán San Fernando. Dat schilderij van een Spaanse katholieke held maakte deel uit van het retabel in de kerk van het klooster ‘La Merced Descalzas’ in Sevilla.

De getalenteerde Bartolomé Esteban Murillo (1617–1682) was beïnvloed door Zurbarán en de latere Velázquez (zie onder). Hij volgde Zurbarán op als de toonaangevende schilder in Sevilla. Terwijl eerder (bijvoorbeeld bij Ribalta) de heiligen zeer heroïsch werden voorgesteld, bracht Murillo ze juist dichter bij de gewone mensen. Hemels en aards vloeien bij hem organisch samen, zoals in het metershoge Visioen van Sint Antonius (1660–80). Het vroegste werk met dit thema maakte hij voor de kathedraal van Sevilla. Het schilderij kenmerkt zich door ruimtelijkheid, dynamiek en een geraffineerd spel van kleurschakeringen. Een laat meesterwerk van de schilder is Onbevlekte Ontvangenis (ca. 1680). Hierin zien we de komst van een nieuwe, frivolere stijl: de rococo.
Murillo nam dit thema veelvuldig onder handen.

Sevilla was artistiek toonaangevend in Andalusië, maar daar waren meer broedplaatsen. In Granada bezette Pedro de Moya (1610–1674) een opvallende plaats. Volgens sommige bronnen had hij door Vlaanderen en Engeland gereisd en kennisgemaakt met het werk van Anthonie van Dyck. Portret van een man (jaren 1650) onderschrijft dit: het is intens van kleur, romantisch en doet wel enigszins Vlaams aan.

Bartolomé Esteban Murillo (1617–1682), Onbevlekte Ontvangenis, ca. 1680
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Napels – Ribera en Giordano: extatisch leiden

Doordat Spanje destijds grote eigendommen in Italië had, brachten veel Spaanse meesters daar een tijd door. José de Ribera (1591–1652) vestigde zich in Napels – dat rechtstreeks onder de Spaanse kroon viel – en vervolmaakte een stijl met chiaroscuro en strakke composities als belangrijkste elementen, waarbij hij een voorliefde had voor volkse types. Ribera, bekend met het dramatisch realisme van Ribalta uit Valencia in zijn geboortestreek, werd een meester van de dramatische mise-en-scène. Hij ving momenten, vaak in beweging, zoals Sint Hiëronymus en de engel uit 1626.

Ribera was de kunstenaar die pijn het sprekendst verbeeldde, gespecialiseerd in martelaren, bijzonder realistisch geschilderd. Deze religieuze schilderijen zijn even indringend als portretten.

De nadruk ligt op de fysieke pijn die een heilige moet lijden. Levende lichamen die martelingen ondergaan, zweet, bloed, strakke pezen. Geweld in kunst was niet nieuw maar in Spaanse kunst was alles heviger, extremer. Zeventiende-eeuws Spanje was in de greep van ‘pijn als teken van vroomheid’, Gods teken dat de gelovige was uitverkoren.

In Ribera’s atelier werkte de jonge Luca Giordano (1634–1705). Hij begon als navolger van zijn leermeester, maar tijdens latere verblijven in Florence, Rome en Venetië zoog hij verschillende stijlen op, geholpen door zijn razendsnelle toets, die hem de bijnaam Luca fa presto (‘Luca doet het snel’) opleverde. Alle invloeden culmineerden in een complexe en zeer ornamentele barokstijl, een dominante stijl tussen 1600 en 1750 met draaibewegingen, sterke licht-donkercontrasten en andere theatrale effecten om de toeschouwer in vervoering te brengen. Kenmerken zijn dynamische opbouw, ruimtewerking, een helder palet en losse penseelvoering. Zie zijn De smidse van Vulcanus (1660). In 1692 werd Giordano door de Spaanse koning Karel II uitgenodigd aan het Spaanse hof, waar hij tien jaar bleef werken. Hij werd daarmee een van de opvolgers van de grootste schilder uit de Gouden Eeuw van de Spaanse schilderkunst.

Velázquez: grootse vernieuwer

Die grootste schilder was Diego Velázquez da Silva (1599–1660). Hij onderscheidde zich door een ongewone vrijheid en veelzijdigheid. In zijn vroege loopbaan haalde hij zijn inspiratie ‘van de straat’. In plaats van religieuze kunst durfde hij het aan het echte leven te schilderen, gewone mensen in een eenvoudige omgeving. In kroegen en keukens ‘ving’ hij zijn personages met grote wijsheid en genegenheid. Bij hem kwam het alledaagse tot leven. Rimpels op gezichten, perfecte weergave van materie, huid, stoffen. Door zijn respect gaf hij zijn personages waardigheid, zonder ze te romantiseren. Geen religieuze mysteries, geen esoterische symboliek, Velázquez schilderde wat hij zag. Deze werken werden ‘bodegones’ genoemd, van bodega, wijnkelder. Hoofd van een man in profiel (ca. 1616), een fragment van een verder verloren gegaan doek, is zo’n vroeg werk.

In 1623 verhuisde Velázquez van Sevilla naar Madrid. Daar werd hij aangesteld als hofschilder, zodat hij vanaf toen voornamelijk portretten maakte van koninklijke en hoge adellijke personen, zoals Don Gaspar de Guzmán (graaf-hertog van Olivares, van 1622 tot 1643 de machtige eerste minister onder koning Filips IV). Zijn Portret van hertog de Olivares (ca. 1638) is een van de meest expressieve voorbeelden.

Deze schilder van het alledaagse zou ook een groot hofschilder worden, met de koning, Filips IV, als beschermheer. De schilder gaf de koning in zijn portretten meer diepgang. Hij is geen machtige en statische monarch, veel meer een levende figuur. In een van zijn allergrootste werken, Las meninas (de hofdames, niet in de tentoonstelling), komen alle waan, pracht en praal van zeventiende-eeuws Spanje welhaast ten einde. Wat hij eerder in zijn bodegones deed, durfde hij blijkbaar ook aan het hof: geen mysterie, je ziet wat er gebeurt. Geen portret van de koning maar een schilderij van wat de koning ziet tijdens het portretteren. Felle lichtbundels in een donkere kamer, alles gaat over vergankelijkheid, stoffen, haar, glans op kleding, alles lijkt op het punt te staan om te verdwijnen. Hoe machtig ook, het is vluchtig.

Vele grote Spaanse schilders hadden bij God inspiratie gezocht en een onzichtbare spirituele wereld weten te vangen. Velázquez durfde dat de rug toe te keren, met een boodschap dat dít leven de enige zekerheid is.

Madrid: theatrale romantiek

Portretten en religieuze werken waren dominant in de Gouden Eeuw, maar in vele andere genres werd ook prachtige kunst voortgebracht. Juan de la Corte (ca. 1580–1662), van Vlaamse afkomst, schilderde historische reeksen, onder meer over Karel I / V. Hij legde zijn koning ook vast op het Hermitageschilderij De veldslag, vermoedelijk uit 1643. Antonio de Pereda (1611–1678) blonk onder meer uit in het stilleven, dat in Spanje een buitengewoon hoog peil bereikte. In 1652 schilderde hij Stilleven met kastje, met als onderliggend thema de ‘viering’ van aardse genoegens. In Sevilla maakte Ignacio Iriarte (1621–1670) naam, een vriend van Murillo, met wie hij ook samenwerkte. Het talent van Iriarte beperkte zich tot landschappen, maar daarin blonk hij dan ook zeer uit. De Hermitage bezit een van zijn beste stukken: Doorwaadbare plaats (ca. 1665).

Diego Velázquez de Silva (1599–1660), Hoofd van een man in profiel, ca. 1616 (voorzijde)
© State Hermitage Museum, St Petersburg

18de eeuw: Goya

Vanaf 1700 leverde het Franse huis Bourbon in Spanje de koningen en boette het land snel aan internationaal aanzien in. De Spaanse schilderkunst verloor haar specifiek nationale kenmerken. De kunstenaars stonden sterk onder invloed van Italiaanse, Franse en Duitse meesters. Pas tegen het einde van de eeuw verscheen weer een echt groot en origineel talent, maar dan ook een van buitengewone klasse. Francisco de Goya y Lucientes (1746–1828) ontwikkelde, geïnspireerd door de werken van Velázquez, zijn eigen, geheel onafhankelijke stijl. Hij schreef: ‘Ik heb drie leermeesters gehad: de natuur, Velázquez en Rembrandt’. In zijn beginjaren schilderde hij dagelijkse scènes voor het Spaanse hof. Hij portretteerde de koninklijke familie maar ook acteurs en gebeurtenissen uit het leven van komedianten.

In 1792 veroorzaakte een geheimzinnige, bijna fatale ziekte dat hij vrijwel doof werd. Hij verliet de decadentie van het hof en trok zich terug in zijn eigen verbeelding. Hij kwam tot een steeds donkerder, somberder stijl. In een portret dat hij maakte van actrice Antonia Zárate (1810–11) is zij prachtig uitgedost, wellicht voor een toneelrol. Maar de droevige blik in haar enorme, donkere ogen lijkt een naderend onheil aan te kondigen. De actrice leed aan tuberculose en stierf kort nadat het portret voltooid was.

Goya’s grafiek

In de tentoonstelling is een speciale Goya-ruimte ingericht met zijn grafische werk uit vijf series, beginnend met een vroege, kleine groep etsen naar werken van Velázquez. Twintig jaar later (1797–98) vervaardigde hij zijn eerste van vier grote etsencycli: Los Caprichos(De luimen), met verwijzingen naar actuele gebeurtenissen en schandalen die de Spaanse samenleving schokten.
De serie, die hij ironisch opende met een zelfportret (ook in de tentoonstelling), zou later zijn meest geroemde grafische werk worden.

In 1808 viel Napoleons leger Spanje binnen. De guerrilla-oorlog die dat ontketende was vol wreedheden, moordpartijen en verkrachtingen. Goya zag alles. Hij reageerde met 82 etsen onder de gezamenlijke titel Los Desastres de la Guerra (De gruwelen van de oorlog): het lijden van de burgerbevolking, geterroriseerd door de militairen, de ontwrichting van het dagelijks leven en de massale hongersnoden. De serie werd in die tijd te duister gevonden om te publiceren.

Zijn grafisch werk is in het algemeen donker, grotesk en bij vlagen absurdistisch, maar de vele bizarre beelden hebben vrijwel altijd iets tragisch. De intensiteit, benadrukt door het zwart-wit van het medium, maakte deze werken tot iets volledig nieuws. Goya was een van de voorlopers van de moderne kunst.

Pablo Picasso (1881–1973), Stilleven met glaswerk, 1906
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Negentiende en vroeg twintigste eeuw

De schilders van de negentiende en vroege twintigste eeuw beperkten zich niet tot een bepaald genre. Landschappen, portretten, historische taferelen, stierenvechten en religieuze thema’s pakten ze op, in opdracht. Meesters uit de Gouden Eeuw en Goya dienden veelal tot voorbeeld.

Tot de bekendste Spaanse schilders van deze tijd behoorden José Villegas de Cordero (1844–1921) en Ignacio Zuloaga (1870–1945). Beiden maakten, geïnspireerd door Velázquez en Goya, monumentale composities. Het afscheid van de torero (ca. 1888) van Villegas is een emotioneel geladen werk, zonder larmoyant te worden. Zuloaga hanteerde vaak dramatischer, soms zelfs sombere tinten. Een goed voorbeeld is het religieuze schilderij De kluizenaar (1904). In Toiletmaken voor het stierengevecht (1904) zien we een dame in typisch Spaanse uitdossing in een wat zonniger stijl.

Mario Fortuny y Carbó (1838–1874) is een sleutelfiguur in de Spaanse schilderkunst van deze periode. Ook zijn werken herinneren aan eerdere grootheden, zoals de aquarellen en grafiek met invloeden van Goya, zie De opiumroker en De muzikant (beide 1869, elkaar afwisselend in de tentoonstelling). Hij verwierf bekendheid in de Parijse Salon door zijn werken met Spaanse en ook Oriëntaalse thema’s, zoals De Arabier (1860–65).

De tentoonstelling heeft een bijzonder slot, met gevarieerd en vrij onbekend vroeg werk van Pablo Picasso (1881–1973). Met hem begint een volledig nieuw hoofdstuk in de kunstgeschiedenis, maar de vroege Picasso is in veel opzichten nog onmiskenbaar Spaans. Zijn Iberische wortels blijken uit Stilleven met glaswerk (1906) en door hemzelf beschilderd keramiek. Het stilleven – een beroemd Spaans genre – toont typisch Catalaans aardewerk. De gouaches Jongen met hond (1905) en Naakte jongen (1906) behoren tot een serie uit Picasso’s Roze Periode, gewijd aan Saltimbanques, rondtrekkende komedianten. De twee gouaches wisselen elkaar af in de tentoonstelling.

Veelzeggend is een uitspraak van Picasso’s minnares en muze Françoise Gilot uit 1964: ‘Voor Pablo was een volmaakte zondag – volgens een Spaanse regel – als volgt: “ ’s Ochtends naar de mis, ’s middags naar het stierenvechten, ’s avonds naar de hoerenkast.” Hij vond het niet erg om het eerste en het laatste over te slaan, maar het stierenvechten bleef altijd een van de grote geneugten des levens, en we gingen dan ook vaak naar Nîmes of Arles om een corrida bij te wonen.’

Francisco José de Goya y Lucientes (1746–1828), Portret van de actrice Antonia Zárate, ca. 1810–11
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Verantwoording

De tentoonstelling spitst de aandacht op de bredere context van de schilderkunst in de Spaanse Gouden Eeuw (tweede helft zestiende en zeventiende eeuw) en de nagalm en het vervolg in latere eeuwen. Het begrip ‘Spaanse meesters’ heeft niet zozeer de geografische begrenzing van het huidige Spanje. De kunstenaars konden op het Iberische schiereiland zijn geboren, maar ook daarbuiten, in gebieden onder Spaans gezag. Luca Giordano is daar een voorbeeld van: hij werd geboren in Napels.

De collectie oude Spaanse meesters (tot en met Goya) van de Hermitage telt tegenwoordig meer dan 160 schilderijen, waarvan er 40 op de expositie worden getoond. Verwerving begon onder Catharina de Grote, waarna door aankoop, overerving, legaat of schenking geregeld werken in de collectie terecht bleven komen. Het laatste was Goya’s Portret van de actrice Antonia Zárate, een geschenk van een Amerikaanse verzamelaar uit 1972.

In Nederlandse museumcollecties bevindt zich een klein aantal werken van Spaanse meesters, voor zover bekend schilderijen in het Rijksmuseum (een aantal werken van Murillo, een van El Greco en een van Goya) en het Singer Museum (Velázquez) alsmede een groot aantal gravures van Goya in depot in het Rijksmuseum. Museum Boijmans Van Beuningen bezit werken van Dalí, die buiten de scope valt van deze tentoonstelling.

In 1985–86 organiseerde het Rijksmuseum de tentoonstelling Velázquez en zijn tijd, in 2013 Boijmans Van Beuningen de tentoonstelling Verschrikkingen van de oorlog, met gravures uit Goya’s serie Los Desastres de la Guerra.

Bedankt

De Hermitage Amsterdam bedankt

Founder
Hoofdsponsors
Sponsor
Internetpartner
Strategiepartner
Security partner

Onze regenten, partners en fondsen.

Openingstijden

Dagelijks 10–17 uur
Gesloten 27 april (Koningsdag) en 25 december (Eerste kerstdag)
Open op 1 januari 11-17 uur

De Hermitage Amsterdam is gevestigd op de Amstel 51.

Foto Jelle Epskamp Photography

ANBI

De Hermitage Amsterdam is een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Wij hoeven geen belasting te betalen over giften. Uw bedrag staat dus volledig tot onze beschikking. En giften aan een ANBI zijn vaak aftrekbaar voor de schenker.

Contact

Voor alle vragen en voor het kantoor: +31 (0)20 530 87 55
(tijdens kantoortijden)

Dus ook voor informatie over de tentoonstellingen, de programmering, de online ticketshop, het gebouw, reserveringen van rondleidingen en zalen en reserveringen van rolstoelen, groepsbezoeken en CKV-programma’s.

Voor het reserveren van audiotours (mogelijk vanaf 15 audiotours) kunt u een bericht sturen naar info@hermitage.nl

Catalogus

Bij de tentoonstelling 1917. Romanovs & Revolutie is een prachtige full colour catalogus verschenen. Deze is in zowel het Nederlands als in het Engels te verkrijgen.
Meer

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.